|
Hij was moe van de gretigheden die de minste edelmoedige, de meest gierige, de meest hebzuchtige tot hem aantrokken : al diegenen waarvan de lange kromme vingers klaar waren hem te grijpen, hem te kopen, hem te nemen of hem te stelen om hem in steeds een donkerdere, zwartere en diepere kamer op te sluiten. Al diegenen, feitelijk, waarvan het egoïsme groeide naarmate hun fortuin groter werd en waarvan de ziel door en door lelijk was. Hij zei in zichzelf: « Die mensen interesseren zich alleen maar aan mijn glanzende uiterlijk. Geen van hen denkt aan het lange geheime werk dat mijn peettantes, de aardefeeën, de maanfeeën en de zonnefeeën hebben verricht om mij te helpen worden wat ik ben. Ik heb die mensen niet lief.
|